Naar archief
headerimg5

Het lot van de verdwenen bouwvakkers

Nergens verdween de afgelopen jaren zo veel werk als bij bouwbedrijven: ruim 100 duizend banen gingen in rook op sinds de economische malaise in 2008 om zich heen greep. Ook de omzet en de toegevoegde waarde zijn sterk afgenomen en liggen nog altijd onder het niveau van 2008. Deze – weinig opbeurende – statistieken doen je afvragen wat er van al die metselaars, lassers en voormannen terecht is gekomen. Waar zijn ze gebleven en wie werken er eigenlijk nog wel in de bouw? En is de bedrijfstak die anno 2016 uit de crisis probeert op te krabbelen na zo’n daling nog wel dezelfde als in 2008?

De sporen die de crisis heeft nagelaten, gaan in de bouw dieper dan in veel andere bedrijfstakken. Zo diep dat de aantrekkende arbeidsmarkt en de aarzelend groeiende werkgelegenheid in 2015 (nog) aan de branche voorbij gingen. In 2015 kromp de werkgelegenheid voor het zevende jaar op rij.

De bouw hobbelde daarmee achter de rest van de economie aan. De banenkrimp in de bouw was met 2,3 procent weliswaar minder rigoureus dan in voorgaande jaren, maar veel andere bedrijfstakken eindigden in 2015 alweer in de plus. Het aantal banen in de bouw lag 18 procent onder het niveau van 2008, terwijl in de Nederlandse economie als geheel het aantal banen al net iets hoger lag dan zeven jaar eerder.

Ook op andere gebieden was de crisis in de bouw langer en dieper dan in andere sectoren. Het volume van de toegevoegde waarde en de omzet herstelden bijvoorbeeld de afgelopen twee jaar enigszins, maar toch ligt het omzetniveau nog bijna 14 procent onder het niveau van 2008 en de toegevoegde waarde 16 procent. Dat is een grotere achterstand dan in de meeste bedrijfstakken. Het inzakken van orders en omzet heeft logischerwijs invloed op het aantal werkenden in een branche.

Ook het aantal faillissementen lag sinds de crisis hoger dan in welke bedrijfstak dan ook. In 2014 nam het aantal faillissementen echter fors af. In 2015 zette de daling in vertraagd tempo door. Het hoogste aantal faillissementen lag in dat jaar niet langer in de bouw maar in de financiële dienstverlening.

 

 

Overvloedige uitstroom en gebrekkige instroom

 

Om meer inzicht te krijgen in wie er vertrokken zijn uit de bouw zijn de bronnen geraadpleegd waarop op de inkomensstatistieken van CBS gebaseerd zijn. In 2014 werkten volgens deze statistieken 396 duizend personen in de bouw, tegenover 475 duizend in 2008. Uit de brongegevens blijkt die daling van 79 duizend personen het gevolg van een overvloedige uitstroom en een gebrekkige instroom sinds 2008. Sinds 2008 stroomden 198 duizend mensen uit, terwijl er 119 duizend mensen in de bouw begonnen.

Zo’n 198 duizend mensen die in 2008 hun geld in de bouw verdienden, waren zes jaar later uit de branche verdwenen. Zij zijn dus, al dan niet gedwongen, ergens in de tussentijd uitgestroomd. Een op de zes uitstromers (18 procent) hing zijn gereedschapsriem aan de wilgen en ging met pensioen. Zo’n 10 procent kreeg in 2014 een werkloosheidsuitkering, 7 procent een arbeidsongeschiktheidsuitkering en 4 procent zat in 2014 in de bijstand of ontving een andere sociale uitkering. Een klein aantal mensen is gaan studeren, is niet meer in leven of heeft geen (geregistreerd) inkomen meer. Maar de meeste uitstromers, bijna de helft van die 198 duizend mensen, vonden elders een baan.

Een deel van de personen die hun heil in andere branches zochten en ook vonden, zijn in de industrie (14,8 procent) en de handel (13,8 procent) beland. De grootste groep baanvinders (27,6 procent) kwam terecht in de uitzendbranche. Het is goed mogelijk dat een deel van deze groep weer in de bouw terecht is gekomen als uitzendkracht. CBS heeft echter geen sluitende informatie over de branches waarin uitzendbureaus hun werknemers aan het werk zetten.

Vanaf 2008 verdwenen niet alleen werkenden uit de bouw, maar kwamen er ook nieuwe bij. Bijna 119 duizend personen werkten in 2014 in die branche terwijl ze dat in 2008 nog niet deden. Het merendeel daarvan, zo’n 60 procent, werkte voorheen elders. Vooral de overstap vanuit de industrie, de detailhandel of wederom de uitzendbranche blijkt een veelgemaakte.

Ook het onderwijs is vanzelfsprekend van belang voor de aanwas van nieuwe werkenden. Zo’n 22 procent van de nieuwkomers ging vanuit de schoolbanken de steigers en bouwplaatsen op. Ongeveer 8 procent van de starters in de bouw had geen vorig (geregistreerd) inkomen en stond evenmin bekend als student. Een op de twintig nieuwelingen was niet alleen nieuw in de bouw, maar ook nieuw in Nederland. Die groep immigreerde dus sinds 2008. Verder had 3 procent een uitkering voordat hij of zij in de bouw aan de slag kon. Van 2 procent van de werkenden is geen informatie beschikbaar over wat ze deden voordat ze in de bouw gingen werken.

 

Bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op de groep werkenden die als hoofdactiviteit een baan in de bouw hadden en van wie de inkomensgegevens via de Belastingdienst bekend zijn. Een aantal groepen mist echter in die cijfers. Het CBS schat dit aantal op minimaal 55 duizend mensen.

Ten eerste zijn dat de zwartwerkers. In de bouw vinden ook zwarte activiteiten plaats. Deze ontbreken per definitie in de gegevens van de Belastingdienst. Daarnaast worden ook uitzendwerkers die in de bouwbranche actief zijn niet meegeteld omdat ze officieel in de uitzendbranche werken. Dan is er nog een groep die het best als ‘witte vlek’ te omschrijven is: dat zijn mensen die in eigen beheer in de bouw werkzaam zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die hun eigen huis bouwen.

 

Wie werken nu in de bouw?

 

De flinke daling van het aantal werkenden kan zijn weerslag hebben op de samenstelling van de populatie die wel in de bouw werkt. Wie werken er heden ten dage in de branche en verschilt dat met 2008?

Een belangrijke verschuiving binnen de Nederlandse arbeidsmarkt is die van werknemer naar zelfstandig ondernemer. Ook in de bouw is deze trend erg sterk. Momenteel zijn er 774 duizend zelfstandige ondernemers. Daarvan werkt een op de zeven in de bouw. In 2008 was 21 procent van de werkenden in de bouw zelfstandig ondernemer, oftewel 98 duizend personen. Zes jaar later was dat percentage naar 28 gestegen.

Terwijl het aantal werkenden in de bouw kelderde, nam het aantal zelfstandige ondernemers juist toe, naar ruim 110 duizend personen. In andere bedrijfstakken was de verschuiving doorgaans niet zo groot. Met name het aantal zelfstandigen zonder personeel neemt de laatste jaren toe. De groei van het aantal zelfstandige ondernemers gaat hand in hand met het krimpende aantal werknemers. Statistisch is het verschil tussen zelfstandigen met en zonder personeel echter niet altijd te maken.

Een aantal mensen wisselden binnen de bouw van arbeidspositie. Zo’n 14,6 duizend personen die in 2008 nog in loondienst waren, waren in 2014 voor zichzelf begonnen. Iets minder dan 3 duizend personen bewandelden de tegengestelde route en verruilden het werkzame leven van zelfstandig ondernemer voor een baan in loondienst.

 

 

Bedrijven

 

De verschuiving van loondienst naar zelfstandigheid is bij de werkenden in de bouw terug te zien, maar zeker ook bij bedrijven. Het aantal bedrijfjes met niet meer dan één werkzaam persoon groeit al zeven jaar op rij fors. Zo fors zelfs dat ondanks de daling van de werkgelegenheid het totale aantal bedrijven is blijven toenemen. Voor de grotere firma’s geldt de toename in aantallen niet: het aantal bedrijven met meer dan tien werkzame personen daalt. Bij de echt grote bedrijven verandert wat bedrijfsaantallen betreft niets. Net als in 2008 zijn er 30 grote bouwbedrijven met meer dan 1000 werknemers.

Bijna de helft (44 procent) van de personen die in de bouwsector werken is bouwarbeider van beroep. Zo’n 22 procent van de werkenden zijn personen met andere technische beroepen. Administratief personeel en managers maken respectievelijk 9 en 8 procent uit van het totale aantal personen. Zo’n 17 procent van de werkenden valt onder de categorie overig. Het gaat dan bijvoorbeeld om bestuurders van voertuigen, hulpkrachten logistiek & transport en ICT-personeel.

Er mag in de bouw dan veel zijn veranderd sinds 2008, sommige dingen blijven hetzelfde: de bouw is en blijft een mannenwereld. Met een aandeel van 9 procent zijn vrouwen in de bouw (inclusief kantoorpersoneel) overduidelijk een zeldzaamheid. Dat was in 2008 met een verhouding van 9 om 91 procent ook al zo. In totaal hebben 36 duizend vrouwen een baan in de bouw.

Leeftijd

De ‘bouwvakker’ van nu is gemiddeld 42,7 jaar oud. Dat is een goede twee jaar ouder dan zijn evenknie uit 2008. De gemiddelde leeftijd in de bouw groeit daarmee harder dan in de hele economie. In 2008 lag die gemiddelde leeftijd nog onder het landelijk gemiddelde. In 2014 lag de bouw nagenoeg op het landelijk leeftijdsniveau. Werkenden in de bouw zijn gemiddeld ouder omdat arbeidskrachten in de hogere leeftijdscategorieën later stoppen met werken dan voorheen. Dat hangt samen met het aandeel zelfstandige ondernemers dat hoger ligt. Zij werken doorgaans langer door dan werknemers. Maar de hogere gemiddelde leeftijd is vooral een gevolg van de gebrekkige instroom van met name jonge arbeidskrachten.

 

 

Opleiding

In 2008 ging 7,8 procent van alle afgestudeerde mbo’ers in de bouw aan de slag. Dat aandeel slonk naar 5 procent in 2013. In absolute aantallen daalde het aantal studenten dat vanuit het onderwijs naar de bouw doorstroomde van 8550 in 2008 naar 5300 in 2013. Minder mbo-studenten kozen in 2013 voor een technische opleiding dan in 2008: hun aandeel slonk van 22 naar 18,4 procent. De afname van werk in de bouw betekent voor studenten ook dat het aantal beschikbare stageplekken lager is.

Het mbo blijft ondanks de daling de onbetwiste hofleverancier voor de bouw. Van alle personen die in 2013 na afstuderen voor de bouw kozen, was 81 procent afkomstig van dat opleidingsniveau. Nog eens 15,6 procent kwam van het hbo en 3,4 procent van de universiteit. In 2008 was de verdeling nog: 83,7 procent mbo en 13,3 procent hbo. Het aandeel wo’ers lag toen ook al op 3,1 procent.

Van de totale werkzame beroepsbevolking in de bouw was 51,3 procent middelbaar opgeleid, tegen 49,3 procent in 2008. Het aandeel gediplomeerde hbo’ers en wo’ers steeg van 11,8 naar 13,8 procent. Het aandeel middelbaar en hoger opgeleiden is dus licht toegenomen.

Het aandeel laagopgeleiden is daarmee juist gedaald. De bouw heeft echter wel een hoger aandeel laagopgeleiden dan de meeste bedrijfstakken: alleen in de industrie ligt dat aandeel nog hoger. De verschuiving naar een (iets) hoger aandeel hoogopgeleiden en middelbaar opgeleiden is ook in andere bedrijfstakken te zien.

Nationaliteit

Van alle mensen met bouwwerkzaamheden als belangrijkste inkomstenbron, hadden er in 2014 bijna 379 duizend een Nederlandse nationaliteit, tegen 17,4 duizend mensen met een buitenlandse komaf. Dat de bouw een mengelmoes van nationaliteiten zou zijn, blijkt dus niet uit de officiële cijfers van werkenden in de bouw.

Het aantal buitenlanders dat in de bouw werkt ligt zeer waarschijnlijk wel hoger dan 17,4 duizend. Mensen die minder dan vier maanden in Nederland werken hoeven zich namelijk niet in te schrijven en staan dus ook niet geregistreerd. Het gaat dan bijvoorbeeld om seizoenwerkers die tijdelijk in Nederland werk in de bouw verrichten. Zwartwerkers registreren hun werkzaamheden per definitie niet en zijn daardoor ook niet in de cijfers terug te vinden.

Dit onderzoek beperkt zich dus tot die 17,4 duizend buitenlanders die wél zijn geregistreerd. Duidelijk is dat hun aandeel is gegroeid: in 2008 werkten 461 duizend Nederlanders in de bouw, tegen bijna 15 duizend personen met een buitenlandse nationaliteit. De grote daling van het aantal geregistreerde werkenden sinds 2008 heeft dus geen vat gehad op het aantal buitenlandse werkzame personen. Dit is zelfs iets gestegen. Daardoor is hun aandeel toegenomen naar 4,4 procent.

Buitenlandse werknemers zijn vaker dan hun Nederlandse collega’s zelfstandig ondernemer. Meer dan de helft is eigen baas, tegen ruim een kwart van de Nederlanders. De meeste geregistreerde buitenlandse werkenden in de bouw zijn Polen. Vooral onder zelfstandige ondernemers is het aandeel Polen groot. Bijna 41 procent van alle buitenlandse zelfstandig ondernemers was in 2014 van Poolse komaf. Onder buitenlandse werknemers was het aandeel Polen met 23 procent iets kleiner. Buitenlandse bouwvakkers met een baan in loondienst hebben vooral een Duitse, Turkse, Belgische of Britse nationaliteit.

Onder zelfstandige ondernemers had bijna 62 procent van de bouwvakkers een Oost-Europese nationaliteit, waaronder Pools, Bulgaars en Roemeens. Dat zijn er meer dan in 2008, al kwam toen ook al ruim de helft uit Oost-Europa.

De weg naar herstel van de bouw is duidelijk ingezet. Afgezien van de werkgelegenheid klom de branche vanaf 2014 uit het dal: ieder kwartaal plusten bouwbedrijven er weer wat omzet bij. Het vertrouwen van bouwondernemers lag vorig jaar op het hoogste punt ooit, hoger dus dan de gouden jaren voor de crisis. Daarnaast werden er eind 2015 weer meer huizen verkocht en steeg het aantal nieuwbouwwoningen. Hoopgevende vooruitzichten dus, maar aan de weg naar volledig herstel zal nog flink moeten worden getimmerd.

Dat timmeren gebeurt in elk geval met een stuk minder mensen dan voor de crisis. Veel werkenden uit 2008 zijn inmiddels uitgestroomd. De meesten zijn buiten de bouw aan de slag gegaan, sommigen zijn met pensioen of kregen een uitkering. De mensen die tegenwoordig in de bouw werken zijn iets ouder dan in 2008. De gemiddelde leeftijd nam ook harder toe dan in de meeste andere bedrijfstakken. Daarnaast hebben werkenden in de bouw iets vaker een niet-Nederlandse nationaliteit. Ook zijn ze iets vaker hoogopgeleid. Maar ze zijn vooral veel vaker zelfstandig en minder vaak in loondienst dan toen.

Bron: CBS

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deel dit bericht

×